Tagarchief | reisverhaal suriname

Wan pipel

Paramaribo, 20 september 2005

Ik heb mijn appartement een dweilbeurt gegeven. Mieren nemen bezit van mijn ruimte en cruisen van kast tot bed en omgekeerd, op zoek naar voedsel. Als ik buiten een emmer water leeggooi, laat Jenna me kennis maken met Pim de la Parra, die bij haar op bezoek is. Hij heeft een kwieke sympathieke oogopslag. Hij vraagt of ik Wan Pipel heb gezien. Helaas moet ik ontkennend antwoorden. “In Nederland is hij op DVD verkrijgbaar.” tipt Pim. Hij nodigt me uit voor zijn persconferentie over de opening van de eerste Surinaamse filmacademie. Snoop Dog heeft een rat gevangen op het erf. Hij is een buitenhond, zoals Jenna dat noemt: functioneel als waakhond en dus ook tegen ratten en aanverwante indringers. Als de schemer invalt, haal ik mijn fiets van stal voor een tochtje over de Wijdenboschbrug, die als een indrukwekkende boog over de Surinamerivier spant. Op een oude fiets valt dat tegen. Niet alleen is de brug steil, zes procent, de hitte en de tegenwind verhogen de moeilijkheidsgraad. Automobilisten draaien hun raampjes open en schreeuwen mij lachend toe. “Kijk die Bakra zich druk maken” zie ik ze denken. De Surinamers zelf stappen van hun fiets om de brug te voet te bedwingen, ook enkele jongeren. Het TV-journaal toont later op de avond beelden uit Nederland: prinsjesdag 2005 en de troonrede.

Image

Raleigh-Creda

Nickerie, 18 september 2005

Scharrelend door Nickerie zie ik erfbranden opflakkeren. De schone was van buren hangt op enkele meters te drogen. Overal klinkt harde muziek. Merengue, maar ook Hindostaanse klanken, dalen vanuit veranda’s neer in de openbaarheid. Ook hier weer de veelkleurigheid. Ik leg een tocht van tien km af in de brandende zon. Veel bekijks. Een meisje zwaait, een gezette vrolijke man op een brommer, hij lijkt erg op Quintis, roept: “lekker weertje hè?” Ik praat met een aantal jonge wielrenners, die langs de weg staan uit te rusten. Ze dragen oude rood-oranje Raleightruien van de voormalige Peter Postploeg. Hun fietsen ogen zo’n vijftien tot twintig jaar oud: staal met handversnellingen. Ze beklagen hun materiaal. “Alleen in Paramaribo is op één plek goed materiaal verhandelbaar, maar duur”, zegt een van de jongens. Ze zijn op zoek naar sponsors, “maar dat is heel moeilijk”. Op de terugweg, in de namiddag, stopt een auto langs de weg. De bestuurder draait zijn raam open en zegt tegen mij: “uw aanwezigheid in Suriname interesseert mij zeer”. Achterin de auto zitten twee kameraden. De chauffeur is dronken en kijkt erg wazig uit zijn ogen en praat met lange pauzes tussen de woorden. “Ik ben politieman, maar niet on duty. Daar achter moet je niet lopen, daar wordt drugs verhandeld”. Zegt hij. Vriendelijk volgt een groet, en wordt de auto weer in beweging gezet. Even later bezoek ik tegenover mijn hotel een Indiase markt. In de avond meen ik een café met buitenterras te herkennen. Als ik het terrein op loop, zie ik dat het om een Hindostaans familiefeest gaat. Ik wil teruglopen, maar wordt toch glimlachend ontvangen.

DSC00752

I have a dream

Nickerie, 18 september 2005

Ik heb mijn verblijf in Nickerie met een dag verlengd. Er heerst een ontspannen rust. Ik maak een lange tocht langs de Nickerierivier, over de Zeedijk. Ik zie twee platgereden slangen op de weg, en een dode leguaan in de berm. Verderop, aan de oever van de rivier, ligt een vers kadaver van een hond in de modder, de vier poten in de lucht. Ook hier wordt veel troep gestort: afval, hout en zelfs afgedankte televisies. Een andere bezienswaardigheid: stoffige magere koeien in een tropisch landschap, tussen de palmbomen. Melk is hier in plastic zakken verhandelbaar, sinds kort ook in de bekende kartonverpakking. Gisteravond belandde ik op een terrras. Ik werd vaak aangesproken. Soms door onbetrouwbare types, meestal door vriendelijke mensen. Van de eerste soort kwam iemand aan mijn tafel zitten, een Hindostaanse jongen. Hij vuilbekte over creolen en sloeg onbegrijpelijke taal uit. De creolen en Hindostanen lijken hier strikt gescheiden te leven, anders dan in Paramaribo. Ik zag een creool in de tuin werken van een Hindostaan. De Hindostanen lijken welvarender: er zijn veel rijstboeren in de omgeving. Snel liet ik de jongen achter op het terras en ging op zoek naar een betere locatie. Die vond ik. Een bar met alleen creolen, deels buiten gegroepeerd rondom enkele tafeltjes. Binnen wachtte een sfeervol schemerverlicht antiek interieur met veel hout. Achterdoor bleek zich een tweede ruimte te begeven. Voorzichtig maar nieuwsgierig stapte ik hier binnen. Op een schoolbord stonden de letters –75- te lezen en “Happy birthday”. De jarige bleek een vrouw in traditionele klederdracht, tevens stralend middelpunt. Vrouwen zaten in rijen op klapstoeltjes te luisteren naar een toespraak van Martin Luther King, die uit een muziekinstallatie klonk. De trillende beladen stem van King vulde de ruimte, in stilte aangehoord. Één vrouw schoof een stoel in mijn richting. Onopvallend schoof ik aan. Een onzichtbare draad van lotsverbondenheid veroorzaakte een voelbare emotie. “So why is it, that only the WHITE people have acces… I Have a dream” Langzaam kwamen ook de mannen binnenlopen, die eerder in de andere ruimte zaten. King maakte plaats voor blues, merengue en salsa. Vrouwen en kinderen bewogen soepel op de maat van de muziek: aangeboren souplesse. Ook ik ontkwam er niet aan en werd door twee vrouwen de dansvloer opgetrokken, onder luid gejoel. Ik kreeg diverse drankjes en hapjes toegestopt. Tot vroeg in de ochtend was ik te gast. De jarige,een kwieke oude dame met een gouden doek om haar hoofd, blikte tevreden naar de dansvloer. Een digitale camera legde het een en ander vast. Waarschijnlijk sta ik in het familliealbum: verdwaalde blanke gast in Nickerie. De hemel werkte mee met een volle maan. Dankbaar en voldaan, na zoveel warmte en gastvrijheid, zocht ik uitgeput mijn hotelkamer op.

Image

Geen oude schoenen weggooien

Paramaribo, 16 september 2005

In een winkel in de Zwartenhovenbrugstraat koop ik een nieuw notitieboekje. Een verkoper vraagt waar ik vandaan kom. “uit Limburg.” Hij leidt me naar achter in de winkel waar het rustiger is. Hij wijst naar een paar schoenen en peilt mijn interesse. Niet echt mijn smaak. Een conversatie volgt. “Jij moet bij mij soep komen eten, wanneer kom je? “ En even later: “Jij moet een Hindostaanse vrouw trouwen, mijn zus is mooi.” Ik beloof om eerst mijn moeder in Nederland te informeren over het aankomend huwelijk en been snel weg, op mijn oude schoenen. Bij een reisorganisatie boek ik even later een trip van een kleine week naar Palumeu, een plaatsje in het amazonegebied aan de Braziliaanse grens waar een ecoresort ligt nabij een indianendorp.

De muskiet en zijn vrienden

Paramaribo, 16 september 2005

Het ongedierte is mij te slim af. Gewapend met mijn dure sticks, tabletten,en smeersels word ik min of meer voor schut gezet door inventieve muskieten en aanverwant bloeddrinkend soort, mij op de meest ongebruikelijke plekken te grazen nemend. Soms is de jeuk onverdragelijk. Ik heb inmiddels mijn Malaronkuur uit de koffer gehaald, als voorbereiding op een reis naar het binnenland, volgende week. Ondertussen is een mediacampagne gestart rondom de uitgebroken Knokkelkoortsepidemie, die eveneens door een muskiet wordt verspreid. In Paramaribo zijn er al honderden gevallen bekend van getroffenen, zelfs enkele doden. Hopelijk blijf ik zelf gespaard. Niet dat ik me zorgen maak. Ik voel me kiplekker in Suriname. De warmte bevalt me inmiddels wel. Afgelopen nacht werd ik wakker van getjierp. Van vogels dacht ik. Het klonk erg dichtbij. Het licht aangeknipt toont twee verstrengelde gekko’s.

Het spel van ratten

Paramaribo, 15 september 2005

Ik zoek de verkoeling op bij de Waterkant, nabij een levendig standje, op het muurtje aan de oever van de Surinamerivier. Een frisse wind strijkt over mijn gezicht. Kinderen zijn tot laat in de avond actief. Aan de oever zelf zie ik tussen de rotsblokken ratten een spel opvoeren. De ratten hebben de omvang van een dwergkonijn. Ze vangen het afval dat argeloos en zonder schroom gedumpt wordt met graagte op. Een hele populatie wordt zo in stand gehouden. Dat geldt ook voor de straten in de stad. Later op de avond zie ik een aantal ratten een rioolput induiken in de Saramaccastraat, een omtrekkende beweging langs afval makend. De sfeer aan de Waterkant heeft een kalmerende invloed: kwetterende en lachende mensen, muziek, kleurrijke drankjes, jongeren leunend tegen hun opgespoten auto’s, met flessen drank en glazen in de aanslag. Even later bezoek ik het nabijgelegen De Waag, grand café-restaurant, dat door een Surinaamse Hollander wordt uitgebaat. De Waag is een prachtig, imposant, ruimtelijk gebouw met grote ventilatoren aan het plafond en kunstige inheemse beelden in de ruimte. Achterdoor een groot buitenterras. Toch stoor ik me enigszins aan de sfeer. Een Nederlands gezin voert heftig gebaren makend een conversatie met de gedreadlockte eigenaar, die het gezelschap animeert: een man geheel gehuld in klassiek wit, zijn geblondeerde vrouw op middelbare leeftijd en hun dochter. Er wordt ‘gek gedaan’ op de maat van de live jazzmuziek die mij eerder naar binnen lokte. Ik zie veel Nederlanders en weinig Surinamers. Toch is het erg goed vertoeven. Een Hindostaanse man bestelt een rum-cola. “Bacardi” benadrukt hij met stemverheffing, het lokale Borgoe tot bocht declassificerend. Enkele Surinaamse vrouwen leunen tegen de bar, piekfijn in de kleren gestoken. Hun ogen scannen het aanwezige beperkte manvolk. “Je mag ons best ten dans vragen hoor!” De toiletjuffrouw vraagt, als ik later de tocht naar het urinoir over de grote houten trap heb volbracht, of ik vakantie vier. Als ik vertel dat ik voor het Dagblad werk, wordt ze enthousiast. “Ik ken nog een blonde dame bij De West, ook Nederlands.’Dat kan alleen maar Petra zijn”, zeg ik. Paramaribo is klein. Het nieuwsitem over de prijsstijgingen wordt door de media dankbaar uitgemolken. Ook door Dagblad Suriname. Zelf schrijf ik uiteindelijk twee artikelen gebaseerd op straatinterviews. Het tweede artikel gaat samen met twee foto’s. Op de redactie geef ik aanwijzingen. Een dag later zie ik de verkeerde foto’s bij de interviews staan: een gepensioneerde man is volgens het onderschrift 28 en een meisje van 15 blijkt 37. Erg vermakelijk, kan gebeuren. Suriname wordt verdeeld door mensen die pro-actief zijn en zich graag willen ontwikkelen, en andere mensen die het allemaal wel geloven en hun positie in bescherming nemen, iedere inspanning zorgvuldig op een weegschaal leggend, die vooral niet mag doorslaan.

DSC00729