Ho Chi Minh City
6 juli 2011
De tijd verstrijkt, terwijl de zon onverbiddelijk aan de hemel staat. Ik ben inmiddels opnieuw in Saigon. Weerzien met Lê, die niets veranderd is en haar famillie. Gisteravond een geselende onweersbui, die met een enorme kracht de straten in enkele seconden blank zette. In kleine straatjes heerst de famillie-economie. Mensen koken op straat, roepen naar hun kinderen en verspreiden een lucht van vuur en eten. Buiten wordt geleefd. Ik zie zelfs een ‘opticien’ glazen in een bril slijpen op de stoep. Ondertussen jakkeren 4,5 miljoen motorfietsen door de stad, wat doodsoorzaak betreft: volksziekte nummer één. Héle gezinnen op één scooter. Het Volkscomité breekt zich het hoofd over de verkeerschaos. In 2015 wil Hanoi het eerste metrostation openen. Ik zie agenten met knuppels amechtig langs de weg lopen, terwijl het patroon van motorbikes vervaarlijke vormen aanneemt.
Mekong
Phnom Penh, 5 juli 2011
Ik breng de ochtend door aan de kade van de Mekong. Een aangename bries houdt de hitte op afstand. Na een bezoek aan het paleis en een tempel, laat ik me het schouwspel van de stad welgevallen. De invloed van India, dat in Cambodja het hindoeisme en het boeddhisme heeft achtergelaten, is merkbaar. Later op de dag beland ik met twee reisgenoten in een traditionele dansgelegenheid, net buiten het centrum van Phnom Penh. Alle generaties draaien in een langzaam tempo in concentrische cirkels over de dansvloer, hun handen gracieus wentelend.
Coffin Shop
Phnom Penh, 4 juli 2011
In een rij winkels loop ik tegen een uitverkoop van coffins aan. Hilarisch. De gemiddelde levensduur in Cambodja is slechts 58 jaar. Vandaar. Een kwestie van vraag en aanbod. De armoede is invoelbaar en laat op straat zijn ware gezicht zien in de vorm van stof, oude lappen, gelooide huid, tienermoeders en bedelaars. Het basissalaris in de stad is ongeveer 80 dollar per maand, dat afhankelijk van fooien of bijverdiensten tot 500 kan oplopen. Zo’n 85% van de Cambodjanen is voor wat inkomen betreft op landbouw aangewezen.
Humor
Phnom Penh, 4 juli 2011
Cambodjanen kunnen een grap wel waarderen, leer ik tijdens een avond stappen. Dat zit in de volksaard. In een bar haal ik de stekker van een groot verlicht display met pakjes sigaretten uit het stopcontact, waarmee tevens alle lampen van de bar uitvallen. “Now we stop smoking” zeg ik. Een lachend Cambodjaans-Brits gezelschap reikt een borrel aan.
Phnom Penh
3 juli 2011
Rond middernacht arriveer ik in de hoofdstad. De stad biedt de aanblik van een labyrinth van telkens wisselende straattaferelen. De informele 24-uurseconomie van Zuidoost Azië: altijd kunnen kopen, eten en leven op straat. Gejoel. Drukte. Dampen van eten en uitlaatgassen. Welkom in Phnom Penh. Langs de Mekong liggen vele restaurants en bars, met wiekende ventilatoren aan het plafond en uitzicht over de rivier. Ik pin Amerikaanse dollars, officieel betaalmiddel naast de eigen Riel. Hoogbouw en shoppingmalls ontbreken in het straatbeeld.
Grensovergang Cambodja
2 juli 2011
Het voelt als de eerste reisdag. Vanochtend met een bus naar de Cambodjaanse grens. Vóórdat ik er erg in heb, ligt mijn bagage in een handkar en word ik aan de douane door allerlei mannen die zich om mij heen groeperen, naar een medisch loket gedreven, dat ik uiteindelijk weet te ontwijken. In de LP las ik eerder, dat je hier getemperatuurd en getild wordt: betalen. Een Thais-Fins stel, eerder in dezelfde bus als ik, staat braaf in de rij en wil niet naar mijn waarschuwingen luisteren. De mannelijke Finse helft van het stel, lag vanochtend in comateuze toestand in de bus, “alcoholvergiftiging” , vertelde zijn vrouw. Het lukte ons tweeën niet hem wakker te krijgen vóór de grens. Drie loketten, drie formulieren en twee extra controles verder, toont mijn paspoort een visum van het Koninkrijk Cambodja. Achterop de motor vervolg ik mijn tocht per easy rider door het uitgestrekte landschap, op weg naar een kilometers verderop gelegen bushalte. Daar wacht in het rode zand een verouderde bus naar Phnom Penh.
Ko Chang
30 juni 2011
De zee is ziedend en steekt haar schuimkoppen op voor de aanval. Op weg naar Cambodja biedt Ko Chang, een eiland onder Bangkok, een aangename tussenstop. Het is een warme zonnige dag geweest. Vermoeiend, zeker na een nachtrust die balanceerde op de grens van het wakker zijn en de slaap. Weliswaar zijn enkele sterke cocktails en een avond stappen goed voor het inslapen, later in de nacht betaal je de wakkere prijs. Enkele oudere mannen, ouder dan ik, scharrelen met Thaise jonge meisjes over het strand. Het fenomeen is niet zo manifest als in andere meer toeristische delen van het land, maar toch opvallend. De dollar draagt hier het masker van de liefde: een zeer dunne glazuurlaag, die duurt tot na de vakantie de werkplaats in het thuisland een hardere realiteit biedt.
Bangkok: verkiezingscampagne
31 juli 2011
Het ontwaken van de stad. Het verkeer komt op gang. Kinderen in uniform begeven zich op weg naar school. De straten gevuld met etenslucht. Een bedelmonnik met een nap, die door zomaar iemand met eten wordt gevuld, gevolgd door het voor het voorhoofd schuin tegen elkaar plaatsen van de handen. Straatrumoer: leven! Het nog uitblijven van de influx van toeristen, die zich nog beneveld door de cocktails van de avond tevoren, schuilhoudt.
De campagne neemt hilarische vormen aan met bizarre affiches. Een tocht langs de belangrijkste campagneplekken biedt een middag vermaak. Een Thai roept “elections” en wijst naar zijn favoriete kandidaat. De anderen verwuift hij naar het gezelschap van de kanslozen.















