Colombo

Colombo, 12 februari 2014

Het treinstation van Galle lijkt op een bijenkorf: drukte en gedoe. We stappen in een oude trein met plafondventilatoren, die ons in enkele uren naar de hoofdstad zal brengen. Een mensenmassa stuwt de trein in. Eenmaal op weg spoeden passagiers zich naar de gangpaden. Verkopers met fruit op het hoofd en gouden kettingen aan de hand zetten een keel op, terwijl ook zij een weg door de coupés forceren. Een oude blinde man voert aan de hand van zijn dochter een relaas en houdt zijn hand op. Bij ieder station stappen er nieuwe handelaren in de trein: meestal met drank of snacks van deeg. De route volgt de kustlijn. Krottenwijken schieten aan ons voorbij. Ze vallen in het niet bij het oogverblindende strand, de palmbomen en de zon, iets verder naar de einder. Een jonge vrouw geeft haar baby de borst, terwijl mensen met een staanplaats in de verdrukking raken. Bij aankomst in Colombo persen nieuwe passagiers zich de trein in, terwijl wij, die toch graag naar buiten willen, geen kans krijgen de bagage te grijpen en uit te stappen. Uiteindelijk werpt één jongen zich voor ons op en lukt het met voorzichtig geweld alsnog de trein te verlaten. Handkarren staan klaar op het perron. Oude verrotte treinen op het station vormen een contrast met de digitale aanduidingen in de aankomsthal van Colombo. Het land schakelt over vele snelheden: van schrijnende armoede tot peperdure luxe.

DSC01578

Tastbaar verleden

Colombo, 13 februari 2014

In een oorverdovende kakofonie van straatgeluiden proberen we een doorgang te vinden in de Keyzerstraat, midden in het beruchte Pettahkwartier. Hoog tempo, voortdurende hectiek en uitbundige kleuren. Open markten, straatlengten lang. Het is een komen en gaan van oude vrachtwagens, driewielers en mannen die bezweet een vracht op de schouder torsen en door het verkeer loodsen. Ook het Dutch Periode Museum ligt in het Pettahkwartier. Binnen zien we alledaagse objecten uit de 17e eeuw, vazen van de VOC, zilveren bestek en meubilair uit de Nederlands-koloniale periode. We bekijken grafstenen van overleden Nederlanders uit die tijd. De grafspreuken zijn door VOC-officials in steen gehakt. Het voelt heel dichtbij. De zeeroutes van de Hollanders zijn op een metershoge landkaart ingetekend. In een vitrine liggen munten die door de VOC in omloop zijn gebracht, met goedkeuring van de Nederlandse Staten Generaal, die de totstandkoming van een VOC met een monopoliepositie had gestimuleerd: dat was overzichtelijk. De werknemers van de compagnie sloegen uiteindelijk aan het muiten en maakten zich schuldig aan het illegaal verhandelen van overzeese producten, wat uiteindelijk tot de ondergang van de onderneming leidde.De lommerrijke straten van Sri Lanka zijn een erfenis van de Hollanders, die de huiseigenaren ter verfraaiing van het straatbeeld, verplichtten om bomen voor hun woning te planten. Het niet nakomen werd gestraft.

DSC01486

 

Dutch Hospital

Colombo, 13 februari 2014

Op het binnenhof van het Dutch Hospital, door de Hollanders in de 18e eeuw gesticht, zijn terrassen geplaatst, klinkt dance en heeft het bedienend personeel het druk met het uitserveren van cocktails en gerechten. Het complex is volledig gerenoveerd, mooi, tegen de achtergrond van de verlichte glazen cilinders van het WTC, die bij het vallen van de schemer torenen op de achtergrond. Weinig is nog origineel aan het oorspronkelijke hospitaal. Er zijn restaurants gevestigd en een winkelgalerij, volgens westerse prijzen in een westerse setting. Niet ver ervandaan liggen zwervers op straat.

Afbeelding

Dutch Burghers

Colombo, 13 februari 2014

De afstammelingen van de Nederlanders uit het koloniale Ceylon, nu nog zo’n 20.000 in getal, worden de Dutch Burghers genoemd. Je ziet ze af en toe in het straatbeeld: blanke huid en lichte ogen. Ze vormen een eigen gemeenschap, nog altijd in een bevoorrechte positie. In een boekhandel ontdekken we een in 2012 uitgegeven boek: “A taste of Sugar & Spice, Cuisine of the Dutch Burgher Huisvrouw in Olde Ceylon.” een prachtig in Nederland nog onbekend werk, gebaseerd op een manuscript uit 1770 en geschreven door een Dutch Burgher. Vreemde mogendheden, in het bijzonder de Portugezen en de Nederlanders, lieten hun culinaire sporen achter op het eiland, wat resulteerde in een mix van invloeden. Dat uitgerekend de Hollanders met hun vlakke smaak van knollen en aardappelen bepalend zijn geweest voor het ontstaan van de rijk geschakeerde keuken van Sri Lanka, is bijna onvoorstelbaar. Ze importeerden de kruiden uit Batavia en brachten hun gerechten ermee op smaak. De beter gesitueerde Singalezen namen de gebruiken over.

De Hollanders introduceerden de pannenkoek, de frikadel, in de 17e eeuw nog rond van vorm, lomprijst, smoor (stoofvlees), doopvisch (gekookte vis met eieren) en zuinige koekjes. Al snel wist de Nederlandse huisvrouw de rijke zoete Portugese traditie van gebak te ontdekken en toe te passen. Intussen werd de frikadel razend populair op het eiland en droeg zo bij aan de lokale kookkunst. Nog altijd zijn vele gerechten uit die tijd in het straatbeeld te vinden.
De omschrijving van de Nederlandse man uit de koloniale periode laat weinig aan de verbeeldingskracht over: “They began their day with tobacco and gin and ended it with gin and tobacco.” Tussendoor werd wijn gedronken. De Dutch huisvrouw adopteerde de zoete oliebollen en beignets uit de Portugese keuken. De VOC wierf ook personeel in naburige Europese landen. Niet alle werklieden waren van Nederlandse komaf. Ook dit bracht nieuwe invloeden in de keuken met zich mee.

De Hollandse kerels kwamen moeilijk aan de vrouw. Geen dame uit Nederland durfde de overtocht te maken, met uitzondering van de vrouwen die al met een lid van de compagnie waren getrouwd. Uiteindelijk huwden de mannen de dochters van de gemengde relaties van Portugezen met de inlandse vrouwen. Dit had gevolgen voor de Nederlandse taal. In de keuken werd in toenemende mate Portugees gesproken. De nieuwe echtgenotes waren weinig gecharmeerd van de grof gebekte taal der Lage Landen. Zij verkozen het zwoele Portugees. Nog vóór de Engelsen de macht grepen, werd het Nederlands door het Portugees, of het Portugees-creools, verdrongen. Uiteindelijk brachten de Engelsen onze vaderlandse taal de genadeklap toe, door die te verbieden.  Sinds de Engelse periode is het Engels de moedertaal van de Burghers.

Afbeelding

Afbeelding

Citadel

Belgrado, 14 mei 2011

De stad is gevoeglijk relaxt. De oude citadel, werelderfgoed, biedt een panorama over de stad en de Donau. Vervallen Sovjetgebouwen in de buitenring van de stad weerhouden mensen niet om hun weg vrolijk te vervolgen. Dichter bij het centrum neemt het aantal monumentale panden toe.  In een winkelstraat zien we een Gaddafi-demonstratie: tussen grote affiches met foto’s van Gaddafi ondertekenen voorbijgangers een petitie om de Libiër te ondersteunen in zijn strijd tegen de NAVO.

DSC04220

DSC04214

Baltic

Letland, 5 augustus 2004

Ik begeef me in de trein van Letland naar Litouwen, de trein die om  6.05 u. uit Daugavpils vertrok, mijn instapstation. Het perron was afgezet door een twintigtal militairen. Twee sjouwden er met een groot ijzeren bord met de tekst: “CONTROL”. Mijn paspoort werd zes keer omgedraaid. Een uur later word ik in de trein opnieuw geïnspecteerd door enkele Litouwse militairen in camouflagepak. De trein wordt voortgetrokken door een bonkige Sovjetdiesellokomotief. Zwarte inktpluimen stuwen langs mijn raam het landschap in, dat zich over velden en bossen uitstrekt. Op een stationnetje voltrekt zich een kleine familiereünie; hartelijkheid rondom een rode roos. Ook in de dorpen zien de vrouwen er uit alsof ze net van de catwalk zijn gestapt. De trein beschikt over een radio. Litouwse muziek vult de ruimte.

Afbeelding

Bericht Dablad Suriname 4 oktober 2005

Paramaribo- Het ecoresort Palumeu, nabij het gelijknamige indianendorp in het Amazone regenwoud, is voor de bezoeker een openbaring. Verstoken van elektriciteit, telefoon, televisie en internet, is de toerist aangewezen op de prachtige sterrenhemel als beeldscherm en de kakofonie van krekels, kikkers, vogels en brulapen als achtergrondmuziek. Toch is de moderniteit ook hier in aantocht. Het indianendorp staat op het kruisvlak van veranderingen waarvan niet duidelijk is of de voordelen de nadelen overstemmen.

Wèl duidelijk is dat de identiteit van het dorp een metamorfose ondergaat: de DVD-spelers in de houten woninkjes wachten in hun verpakking op elektriciteit.  De paradijselijke omgeving, de rijke natuur, de serene stilte en de exotische geur voeren naar absolute rust. Toerisme wordt alleen kleinschalig toegepast, met respect voor natuur en omgeving. Een bezoek aan Palumeu is een buitenkans die vanwege de hoge prijs van € 400,- voor weinig Surinamers is weggelegd. Wie verder kijkt dan het menu van de touroperator ziet dat traditionele rituelen alleen nog aan de buitenlandse toerist worden voorgeschoteld door enkele dorpsoudsten. De jongere generatie legt zich toe op Air Nikes, reggae en salsa. Tegelijk blijft het gemeenschapsleven domineren. Het dorp heeft stromend water noch elektriciteit. Met een dieselaggregaat wordt beperkt stroom opgewekt. Water wordt uit de rivier gehaald. De Trio- en Wajana-indianen van het dorp zitten vaak bij elkaar om naar Surinaamse R&B-clips of Amerikaanse actiefilms te kijken voor één van de huisjes. Het eigen gemaakte cassavebier of cassiri wordt daarbij rijkelijk geschonken vanuit grote plastic vaten in aluminium pannetjes. Peuters drinken het al. Vooruitlopend op de elektriciteitsvoorziening die door ingenieurs uit Paramaribo nog dit jaar zal worden aangelegd met een stuwdam, hebben verschillende bewoners elektrische apparaten aangeschaft. Voorlopig nog in dozen bewaard.

Aan de rand van het dorp staat sinds 1999 een schoolgebouw met enkele lokalen. De school is bekostigd door de Nederlandse Magreet Kauffman Foundation. Het Ministerie van Onderwijs financiert de leerkrachten. Twee dorpsbewoonsters zijn opgeleid tot assistent-leerkracht. Één van de doelen van de stichting is twijfelachtig: “Onderwijs kan de cultuur van de indianen zoals die nu is, in stand houden.” aldus een rapport van Kauffman. Beheersing van de Nederlandse taal betekent echter een mogelijke sprong naar Paramaribo, dat een grote aantrekkingskracht uitoefent op de jeugd van het dorp. Volgens Merilou Sapa, één van de assistent-leerkrachten, is de kans aanwezig dat jongeren na de basisschool naar Paramaribo vertrekken en het dorp de rug toekeren, met mogelijke negatieve gevolgen voor de toekomst van het dorp en de cultuur. Tegelijk ziet ze dat de interesse in het Nederlands beperkt is. De voertaal is de eigen taal en niet het Nederlands. “Ouderen hebben weinig belangstelling voor het Nederlands. Die willen liever dat hun kinderen leren een boot te maken en te vissen.” vertelt Sapa. Trots vertelt ze over de eerste drie kinderen die met een diploma van de basisschool een vervolgopleiding in Paramaribo gaan volgen. Een paar dagen later ziet een geëmotioneerde vader zijn twaalfjarige reeds gehuwde dochter het vliegtuig instappen, op weg naar het MULO-internaat in Paramaribo.

Palumeu is grotendeels zelf voorzienend. De natuurlijke omgeving biedt hout, wild, vis, cassave en vruchten. Een deel van de indianen verdient op het resort een inkomen met banen in de keuken, de schoonmaak en de bediening. Daarnaast verkopen de vrouwen uit het dorp handgemaakte souveniers aan toeristen. Hiermee wordt de gemeenschap afhankelijk van de stedelijke economie en ontstaat ook de behoefte aan moderne producten. Vanuit Paramaribo wordt door touroperator METS goederen en brandstof ingevlogen. Veel bewoners vinden de verdiensten te beperkt. Bovendien is de eigen invloed op de ontwikkeling van het resort gering. METS bepaalt wat er gebeurt. Luchtvaartsmaatschappij SLM heeft bovendien 80% van de aandelen van het resort in handen. De beter betaalde banen in het management en het beheer worden door niet-bewoners ingevuld. Voor een grotere invloed van de bewoners is een omslag nodig bij de indianen en de touroperator. Wellicht kan een nieuwe in Paramaribo opgeleide generatie het tij keren.

Image

Binnenland

Palumeu, 26 september 2005

Met een fragiel kistje, een Twinotter, landen we in Palumeu op een airstrip in het regenwoud, niet ver van de Brazilliaanse grens. Onderweg veel turbulentie. Uiteindelijk is de piloot lager gaan vliegen. Een indrukwekkende natuur strekt zich uit tot aan de horizon, zowel in de lucht als bij aankomst.  We worden voorgesteld aan het vaste bedienend en schoonmakend personeel, dat bestaat uit enkele indianen uit het nabijgelegen dorp van Wajana- en Trio-indianen. Zij werken op het ecoresort. De zuiverheid aan indrukken is overweldigend: de geur, de rust, de stilte en de omgeving. Aan het einde van de middag worden we door enkele dorpsoudsten in traditionele klederdracht geïntroduceerd op het dorpje zelf: een foldermoment. We drinken cassiri (cassavebier).

Sinds 1999 beschikt het dorp over een school, opgezet door de Nederlandse Kauffmanstichting. Apart, dat hier, in het Amazonegebied, Nederlandse les wordt gegeven! De eerste twee gediplomeerden zullen dit jaar een vervolgopleiding in Paramaribo gaan volgen.


Image