archiveren | Reizen RSS voor deze sectie

Namaak?

Hoi An, 12 juli 2011

Wat is echt? In Hoi An wordt een Armani-kostuum voor 80 dollar nagemaakt. In hetzelfde fabriekje, waarop 80 tailors uit Hoi An zijn aangesloten, worden westerse merkschoenen gemaakt voor de export, die  in Europa duur worden betaald. In het prachtige Hoi An hebben Franse eigenaren diverse grote restaurants gesticht. Met westers kapitaal en goedkope jonge Viëtnamese bedienden, die vertellen dat ze twaalf uur per dag werken voor een basissalaris. Lekker eten. Dat wel, maar erg duur.  Het personeel eet zelf niet uit de eigen keuken, maar van op straat bereid eten, dat door een bejaarde man per transportfiets wordt aangevoerd.

Het contrast is te vinden langs de rivier, waar Viëtnamese famillies met op motorbikes meegenomen potten en pannen, de sterren van de hemel koken, voor een lage prijs. Ik beland zelf bij een gezin met drie kinderen, die onderling knuffelend en lachend de bediening verzorgen. Geen toeristen aan deze geïmproviseerde tafels. Wèl een Fransman, die in Jakarta als ICT ‘er werkt. Ook hij weet het tafereel te waarderen en vertelt over zijn wereldreis. Na Indonesië wacht de geluksvogel een project in Brazilië. Een oude man in een rolstoel, verkoopt een Engelstalige krant. Ik weet dat 6000 Dong de normale prijs is. Deze keer is de prijs overgestempeld en opgewaardeerd naar 30.000 Dong, ongeveer een euro. Hij verkoopt er maar één tegelijk. De gerolstoelde man verdient zo drie dollar per dag. Broodnodig zonder AOW.

 

 

Hoi An

11 juli 2011

Na een nacht in het oninteressante Darry, beland ik achterop de motor naar Hoi An. Heerlijke bries. Vrij gevoel. Halverwege zwenkt de motor naar een complex in de bergen. Een klim van een paar honderd meter brengt mij bij Boeddha zelf in de grotten: prachtige sculpturen. Op eenzame serene hoogte. Mijn easy rider vertelt dat de nabijgelegen resorts aan het strand door Chinezen worden opgekocht.

Hoi An is precies zoals je het hebben wil: kleinschalig, historisch, shops met snuisterijen, sfeervolle verlichting,  koloniale bouwstijl en Chinese invloeden: rode lantaarns aan de gevel en een gekrulde dakrand. Klassieke muziek wordt door de hele binnenstad verspreid en zet de juiste toon voor een goede koopatmosfeer.  Hoi An wordt overlopen. Niettemin mooi. Overal kleermakers. Het getik van bestek en het gerinkel van glazen. Echt antiek keramiek te koop en Chinees porcelein: “800 years old, original” en honderd meter verder exact  dezelfde kopie: “200 years old, original”. Wat Viëtnamezen met hun handen maken is onvoorstelbaar. Alles wordt nagemaakt op bestelling: kleren, schoenen, kostuums. Ik zie in een tailorshop twee Britse pubers als filmsterrren uit de paskamer komen: voor 80 dollar een kostuum op maat gemaakt.

 

 

Ik bezoek het tempelcomplex My Son, net buiten de stad, werelderfgoed. Er werkt een paar rochelende Viëtnamezen dat zich niet bekommert om het werelderfgoed. Veel stelt het complex niet voor. Een deel is door de Amerikanen gebombardeerd tijdens de oorlog. Nog steeds worden er verminkte kinderen geboren als gevolg van de toxische aanval van de Amerikanen met Agent Orange! De derde generatie inmiddels.

Nachttrein Hoi An

Saigon, 9 juli 2011

Per taxi naar het station. De meter wentelt plotseling in versneld tempo. Ik kan er weinig tegen beginnen. De nachttrein is oud en vervallen, maar mèt airco in de slaapcabine, die ik moet delen met een Viëtnamese famillie: opa, oma, dochter en kleindochter, die gedurende de hele rit van 23 uur geen kick zal geven. In Nederland zou een dergelijke beproeving tot veel amok leiden. De trein voert langs de eeuwige rijstvelden, prachtige vergezichten, maar ook langs de verborgen krotten van de stad: de rotte kiezen waar mensen hun zwartgeblakerde bestaan overeind proberen te houden. Later in de nacht biedt het treinpersoneel, dronken inmiddels, mij in de restauratiewagen een drankje aan, overgegoten uit een plastic jerrycan met het etiket: “ethanol”.

 

Groei

Saigon, 9 juli 2011

Het land groeit als kool. Méér fabrieken. Méér vliegtuigen. Méér motorbikes. Méér luxe hotels en appartementen. De  famillie-economie wordt ingehaald door de invloeden van het internationaal grootkapitaal. Ondertussen probeert het Volkscomité met haar vijfjarenplannen de ontwikkelingen in het gareel te krijgen, wat maar nauwelijks lukt. Weliswaar gaat na een periode van staking het minimumloon omhoog, de Saigon rivier, met tientallen fabrieken aan de oever, vervuilt in snel tempo. De trek van Viëtnamezen van het platteland naar de stad leidt tot verkrotting. Het communistisch bestuur wil met sociale huisvesting het tij keren. Alleen Hanoi heeft al 7 miljoen inwoners, die snel in aantal toenemen. De overheid probeert gezinnen uit verwaarloosde monumentale panden uit te kopen en te plaatsen in sociale woningbouw in suburbane wijken. Nog zonder succes, want de meeste famillies die al generaties in het stadscentrum wonen, willen niet weg.

Overal verrijzen enorme bouwprojecten. In Saigon zie ik Viëtnamese bouwvakkers hun lunchpauze doorbrengen, liggend op de stoep.  Ze worden bediend met op straat bereid voedsel. Ondertussen lopen de gehelmde Chinese opzichters stoicijns voorbij. Ook Nederland heeft veel kapitaal in het land uitstaan. Op een terras spreekt een Viëtnamese jongen mij aan: om zijn Engels te oefenen, zegt hij. Zonder bijbedoelingen deze keer. Hij is beleidsambtenaar in Saigon en houdt zich bezig met het maken van vijfjarenplannen en ISO 9001.

Dong Koi

Saigon, 7 juli 2011

In restaurant Goldfish gaat het licht uit als buiten het dieselagregaat kuchend tot stilstand komt. Géén verlichting. Géén airco. Het is druk. Veel eetgasten stromen binnen. Zeker in deze buurt: Dong Koi, waar de welvaart in verdiepingen winkelplezier is opgetast. Tegelijk zijn de bedelaars en de grabbelaars niet uit het zicht verdwenen. Mijn ‘gouden’ pen, gekocht in de goedkopere Ben Tham market, verderop in de stad, waar Lê mij behendig de weg wees, smelt letterlijk tijdens het schrijven. De verf laat los en het nikkel verschijnt. Dat is Viëtnam: opkomende welvaart die zich eerst hult in geglazuurde namaak.  In toenemende mate verschijnen er glazen kooppaleizen van de westerse mode-industrie. Ik vraag me af waar het geld vandaan moet komen om ze in stand te houden, want de roltrappen naar de met goud en kristal geornamenteerde etages dragen geen gasten vandaag. Lê grist de camera uit mijn hand en maakt foto’s.

 

 

Ho Chi Minh City

6 juli 2011

De tijd verstrijkt, terwijl de zon onverbiddelijk aan de hemel staat. Ik ben inmiddels opnieuw in Saigon.  Weerzien met Lê, die niets veranderd is en haar famillie. Gisteravond een geselende onweersbui, die met een enorme kracht de straten in enkele seconden blank zette. In kleine straatjes heerst de famillie-economie.  Mensen koken op straat, roepen naar hun kinderen en verspreiden een lucht van vuur en eten. Buiten wordt geleefd. Ik zie zelfs een ‘opticien’ glazen in een bril slijpen op de stoep. Ondertussen jakkeren 4,5 miljoen motorfietsen door de stad, wat doodsoorzaak betreft: volksziekte nummer één. Héle gezinnen op één scooter. Het Volkscomité breekt zich het hoofd over de verkeerschaos. In 2015 wil Hanoi het eerste metrostation openen. Ik zie agenten met knuppels amechtig langs de weg lopen, terwijl het patroon van motorbikes vervaarlijke vormen aanneemt.

Mekong

Phnom Penh, 5 juli 2011

Ik breng de ochtend door aan de kade van de Mekong. Een aangename bries houdt de hitte op afstand. Na een bezoek aan het paleis en een tempel, laat ik me het schouwspel van de stad welgevallen. De invloed van India, dat in Cambodja het hindoeisme en het boeddhisme heeft achtergelaten, is merkbaar. Later op de dag beland ik met twee reisgenoten in een traditionele dansgelegenheid, net buiten het centrum van Phnom Penh. Alle generaties draaien in een langzaam tempo in concentrische cirkels over de dansvloer, hun handen gracieus wentelend.

Coffin Shop

Phnom Penh, 4 juli 2011

In een rij winkels loop ik tegen een uitverkoop van coffins aan. Hilarisch. De gemiddelde levensduur in Cambodja is slechts 58 jaar. Vandaar. Een kwestie van vraag en aanbod. De armoede is invoelbaar en laat op straat zijn ware gezicht zien in de vorm van stof, oude lappen, gelooide huid, tienermoeders en bedelaars. Het basissalaris in de stad is ongeveer 80 dollar per maand, dat afhankelijk van fooien of bijverdiensten tot 500 kan oplopen. Zo’n 85% van de Cambodjanen is  voor wat inkomen betreft op landbouw aangewezen.

Humor

Phnom Penh, 4 juli 2011

Cambodjanen kunnen een grap wel waarderen, leer ik tijdens een avond stappen. Dat zit in de volksaard. In een bar haal ik de stekker van een groot verlicht display met pakjes sigaretten uit het stopcontact, waarmee tevens alle lampen van de bar uitvallen. “Now we stop smoking” zeg ik. Een lachend Cambodjaans-Brits gezelschap reikt een borrel aan.

Phnom Penh

3 juli 2011

Rond middernacht arriveer ik in de hoofdstad. De stad biedt de aanblik van een labyrinth van telkens wisselende straattaferelen. De informele 24-uurseconomie van Zuidoost Azië: altijd kunnen kopen, eten en leven op straat. Gejoel. Drukte. Dampen van eten en uitlaatgassen. Welkom in Phnom Penh. Langs de Mekong liggen vele restaurants en bars, met wiekende ventilatoren aan het plafond en uitzicht over de rivier. Ik pin Amerikaanse dollars, officieel betaalmiddel naast de eigen Riel. Hoogbouw en shoppingmalls ontbreken in het straatbeeld.